Gisteren zei mijn collega: ‘Ze appte ook met de vraag of de fotograaf mee kwam.’
Ik riep meteen: ‘Oh, ze denkt dat er een échte fotograaf komt? En dan kom ik?’
‘Ja maar jij bent toch de fotograaf?’ zei hij. Ja, blijkbaar.
Ik maak tegenwoordig regelmatig de foto’s bij de artikelen die we schrijven en eigenlijk gaat dat altijd hartstikke goed. Ik vind het leuk, ik weet inmiddels redelijk goed wat ik doe, heb vertrouwen in mijn waanzinnige camera en ik kom áltijd terug met foto’s waar we iets mee kunnen. Soms zelfs foto’s waar ik zelf best tevreden over ben, als grootste criticus. Niks aan de hand, zou je zeggen. Maar mezelf fotograaf noemen? Dat voelt als een stap te ver. Alsof ik mezelf dan ineens heel serieus neem. Alsof er ieder moment iemand met twintig jaar ervaring uit de bosjes kan komen om te zeggen: ‘Nou, dat zou ik toch echt geen fotografie noemen.’ Blijkbaar heeft mijn hoofd besloten dat je jezelf pas fotograaf mag noemen als je daar officieel toestemming voor hebt gekregen. En hetzelfde heb ik dus met het woord journalist. Ik kan mezelf toch geen journalist noemen?
Journalist
Als mensen vragen wat ik doe, zeg ik altijd dat ik voor een lokaal magazine werk. Dat ik mensen interview en verhalen schrijf. Vaak maak ik de foto’s erbij. Dat is allemaal waar. Als iemand vervolgens vraagt of ik journalist ben, ontstaat er ergens in mijn hoofd kortsluiting. Want ja, ben ik dat? Eigenlijk wel, toch? Ik schrijf artikelen, doe interviews, zoek informatie uit, ga op pad, maak foto’s en lever vervolgens een verhaal aan dat wordt gepubliceerd. Daarnaast maak ik een magazine van A tot Z, dus van brainstorm tot eindredactie en het afsturen naar de drukker. Mijn collega noemt me zelfs ‘chef magazine’. Maar toch hoor ik mezelf dan alweer zeggen: ‘Journalist? Ja, als je het zo wil noemen…’
Mijn onzekerheid zit diep, maar ik kan inmiddels aardig goed inschatten wanneer een artikel goed genoeg is voor de klant, ook al ben ik zelf nooit tevreden. Ik blog al jarenlang, heb twee boeken geschreven, schrijf inmiddels al jaren voor mijn werk en krijg regelmatig complimenten over de verhalen die ik maak. Als iemand anders mij dit verhaal zou vertellen, zou ik waarschijnlijk zeggen: ‘Nou, volgens mij ben je gewoon journalist.’ Maar zodra het over mezelf gaat, vind ik het ineens een stuk ingewikkelder. Want ergens heb ik heel vaak het gevoel dat ik mezelf er een beetje doorheen bluf. Eigenlijk elke dag, haha. Dat ik iedere keer denk: ‘oké, we gaan dit gewoon doen en hopen dat het goedkomt.’
En het irritante is dat het eigenlijk altijd goedkomt. ‘Zie je wel dat je het kan? Wanneer ga je het nu eindelijk geloven?’ is een zin die Raymond echt veel te vaak uitspreekt. Maar daar trek ik vervolgens niet de conclusie uit dat ik het dus blijkbaar kan. Nee, mijn hoofd denkt vooral: ‘pfff, gelukkig.’ Toen ik op het punt stond om mijn contract te tekenen, riep ik nog: ‘Ik doe dit een maand en dan ontdek ik dat ik dit helemaal niet kan, val ik door de mand, maar heb ik het in ieder geval geprobeerd.’ Inmiddels zijn we bijna vier jaar verder, werk ik er nog steeds met veel plezier en denk ik nog steeds dat er een moment komt dat ik te horen krijg: ‘waar ben je in hemelsnaam mee bezig?’
Onzekerheid
Ik ben en blijf ontzettend onzeker over mijn kunnen. Dat heb ik altijd al gehad. Ik kan een opdracht al drie keer hebben bekeken voordat ik überhaupt begonnen ben. Vervolgens kan ik daar nog een tijdje over nadenken, mezelf nog wat verder de put in praten en uiteindelijk toch maar beginnen omdat er op een gegeven moment natuurlijk geen andere optie meer is. En als ik het dan uiteindelijk doe, lees ik alles nog wel tien keer door voordat ik het überhaupt durf door te sturen. En altijd is mijn reactie dan: ‘op hoop van zegen. Laat het alsjeblieft niet al te slecht zijn.’ Vooraf denk ik áltijd dat ik het niet kan. Dat verandert ook niet naarmate de tijd vordert. Na positieve feedback op de eerste bladzijdes voor mijn boek waren de andere pagina’s net zo moeilijk. Of misschien wel moeilijker, want de lat ligt steeds hoger. En dat geldt ook op mijn werk. Want als er een nieuwe opdracht komt, begint het hele circus gewoon opnieuw. ‘Moet ik Erik Scherder interviewen? Donny Ronny? Ik? Maar dat kán toch helemaal niet?
Als ik een interview heb, kan ik van tevoren bedenken dat ik niet genoeg weet, dat ik niet de juiste vragen ga stellen of dat het gesprek misschien helemaal niet loopt zoals ik hoop. Als ik daarna het verhaal moet schrijven, kan ik me afvragen of het wel interessant genoeg is, of ik er wel iets van kan maken, of de klant wel tevreden is en of iemand het uiteindelijk überhaupt wil lezen. En ondertussen weet ik natuurlijk best dat ik dit al jaren doe. Ik weet dat ik interviews kan doen. Ik weet dat ik verhalen kan schrijven. Ik weet dat ik het uiteindelijk meestal gewoon goed doe. Maar blijkbaar is weten niet hetzelfde als geloven. ‘Zal ik dan toch nog een cursus volgen, gewoon om ergens te kunnen zeggen dat ik dat gedaan heb en dus niet zomaar wat doe?’ Het is een gedachte die iets te vaak door mijn hoofd gaat.
Complimentje
Ik kreeg laatst weer een mooi compliment over een artikel dat ik had geschreven en mijn eerste reactie was niet: ‘wat leuk, ik ben hier trots op.’ Mijn eerste reactie was ongeveer: ‘oh, gelukkig’. Ik zei natuurlijk netjes dankjewel en ik vond het oprecht leuk om te horen, maar een paar minuten later was ik alweer met iets anders bezig. Dat vind ik misschien nog wel het meest irritante aan mezelf. Ik kan een compliment prima aannemen op het moment zelf, maar het blijft niet hangen. Het heeft veel minder gewicht dan dat ene stemmetje in mijn hoofd dat zegt dat het misschien allemaal wel meevalt. Als ik een artikel retour krijg waar bijvoorbeeld in staat: ‘Leuk artikel! Ik heb een paar zinnen herschreven zodat het beter past bij ons bedrijf, maar voor de rest helemaal goed’, voelt het gelijk als falen. Ik onthou niet de complimenten, maar slechts de dingen die anders moeten. Alsof ik mezelf voortdurend een kleine disclaimer meegeef. ‘Niet te enthousiast worden hoor, want je gaat een keer door de mand vallen.’
Misschien vind ik het ergens gewoon ongemakkelijk om mezelf goed te vinden in iets. Ik kan veel makkelijker zeggen dat ik iets leuk vind dan dat ik ergens goed in ben. ‘Ik vind fotograferen leuk’ voelt prima. ‘Ik ben fotograaf’ voelt ineens alsof ik mezelf een titel geef die ik niet verdiend heb. Wat moeten echte fotografen wel niet denken?! Hetzelfde met schrijven. Ik kan zonder moeite zeggen dat ik schrijven leuk vind. Ik kan ook zeggen dat ik veel schrijf. Maar zeggen dat ik journalist ben? Dat krijg ik mijn strot niet uit.
En ondertussen maak ik gewoon foto’s voor mijn werk, schrijf ik artikelen en interview ik mensen. Dat doe ik niet een keer omdat het toevallig zo uitkwam. Ik hoef waarschijnlijk helemaal niet de allerbeste fotograaf ter wereld te zijn om mezelf fotograaf te mogen noemen en ik hoef ook geen grote prijs te hebben gewonnen om te mogen zeggen dat ik journalistiek werk doe. Misschien is het eigenlijk veel simpeler dan ik er zelf van maak: ik doe het gewoon.
Bluf
Ik zie mezelf nog steeds als iemand die gewoon wat dingen probeert. Alsof ik toevallig kan schrijven en toevallig best aardige foto’s maak. En ondertussen wacht ik op de zin: ‘Oké Shirley, we hebben het nu lang genoeg aangekeken. Je hebt ons voor de gek gehouden. Je kunt helemaal niet schrijven.’ Terwijl dat natuurlijk helemaal niet zo werkt. Je kunt jezelf niet vier jaar lang ergens doorheen bluffen. Nou ja, blijkbaar kan ik dat wel, maar op een gegeven moment wordt het statistisch gezien toch een beetje onwaarschijnlijk dat ik al die tijd alleen maar geluk heb gehad. Er moet ergens toch iets van kunnen tussen zitten. En dat is het deel waar ik moeite mee heb: erkennen dat ik ergens gewoon goed in ben, zonder daar direct een hele verzameling mitsen en maren achteraan te plakken.
Ik hoef mezelf ook helemaal niet geweldig te vinden. Ik hoef niet bij iedere koffie te vertellen dat ik journalist ben en ik hoef al helemaal niet mijn camera tevoorschijn te halen en gelijk te roepen: ‘Hier is de fotograaf!’ Maar misschien mag ik wel gewoon de woorden gebruiken als iemand ernaar vraagt. Misschien hoef ik niet eerst drie zinnen uitleg te geven over het magazine, mijn werkzaamheden en dat ik ook nog foto’s maak voordat ik durf te zeggen wat ik eigenlijk doe.
Want dat is misschien het gekke aan dit hele impostergevoel. Er is helemaal niemand die me vertelt dat ik dit niet kan. Niemand die zegt dat ik geen journalist ben. Niemand die vindt dat mijn foto’s niet goed genoeg zijn. Niemand die me iedere keer als ik een artikel inlever terugbelt om te zeggen dat ik er eigenlijk niks van kan. Ik ben het zelf. Ik zal niet opeens morgen opstaan en heel zelfverzekerd van de daken roepen dat ik journalist ben. Ik krijg het nu al amper getypt. Ik zal ook nog steeds niet roepen dat ik fotograaf ben, alleen omdat ik toevallig een goede camera heb en goede foto’s maak. Maar misschien mag ik langzaam wel gaan geloven dat ik dit gewoon kan. Dat ik het al die tijd zelf met een goed resultaat heb gedaan. En ja, blijkbaar ben ik dan dus toch journalist. En sinds kort de fotograaf.
Best gek om dat zo op te schrijven.