Iemand zei afgelopen week iets heel simpels: ‘Je hoeft nergens naartoe.’
De zin blijft al de hele tijd hangen. Misschien juist omdat het zo eenvoudig klinkt, maar tegelijkertijd precies raakt waar ik vaak mee worstel zonder dat ik het hardop benoem. Alsof iemand mijn hoofd leest en zegt: stop eens even, haal adem. Het verleden ligt achter je, de toekomst voor je. Het enige dat je hebt, is nu.
Want eigenlijk ben ik altijd onderweg. Niet letterlijk, maar in mijn hoofd. Altijd met iets dat nog moet, dat beter kan, dat groter kan, dat anders kan. Altijd met de volgende stap die ik nog moet zetten, het volgende verhaal dat ik wil schrijven, het volgende boek dat misschien ooit uitkomt, de volgende cursus die ik kan volgen, de volgende vaardigheid die ik nog wil leren. Ik heb al twee boeken geschreven, een hbo-opleiding afgerond, verschillende cursussen gevolgd, een fotografiecursus gedaan, een marketingopleiding afgerond, ik ben van freelancer naar een vaste, fulltime baan gegaan, heb verschillende social media-kanalen bijgehouden voor bedrijven, twee succesvolle blogs gedraaid. En toch voelt het nooit af, nooit genoeg, nooit goed genoeg. De versie van mezelf die ik nu ben, is nooit de juiste. Er moet altijd iets in het verschiet liggen. Een betere versie van mezelf. Iets waarmee ik mezelf kan bewijzen. Aan mezelf vooral.
Ik zag het altijd als iets cools: ‘Ik ben gewoon altijd graag bezig en wil mezelf blijven ontwikkelen, daar is toch niks mis mee?’ Maar ondertussen glipt het huidige moment door mijn vingers. Het nu, het enige dat er is, daar ben ik bijna nooit bij, alsof het leven al een paar stappen verder is en ik achterblijf. Eigenlijk niet zo gek dat ik altijd zo moe ben en continu het gevoel heb dat ik achter de feiten aanloop.
Als ik even stilsta bij wat er is, merk ik hoe zelden ik echt tevreden ben. Successen glijden langs me heen, mijlpalen merk ik nauwelijks, want het gaat meteen weer over wat ik de volgende keer beter kan doen, wat ik vergeten ben, waar ik tekort schiet. En zo blijf ik hangen in gisteren, in datgene wat ik anders had moeten aanpakken, boos op mezelf om fouten die allang zijn gemaakt. Tegelijk zit ik al in morgen, in alles wat nog moet komen, in wat nog niet gerealiseerd is, in wat ik nog wil bereiken.
Het voelt alsof er altijd iets ontbreekt, alsof alles tijdelijk is, alsof ik een conceptversie van mezelf ben die nog steeds aangepast, uitgebreid en opgepoetst moet worden. En dat alles terwijl de wereld doorgaat, terwijl de dagen zich aaneenrijgen en ik er maar half bij ben, alsof ik steeds mis waar het om gaat. Soms voel ik me er schuldig over. Alsof ik het niet verdien om gewoon stil te zijn, alsof rust een luxe is die ik niet mag nemen. Tegelijkertijd weet ik niet beter. Zo ben ik altijd al geweest.
Ik merk dat ik mezelf nauwelijks de ruimte gun om gewoon te zijn, om tevreden te zijn met wat er is, om trots te zijn op wie ik nu ben, zonder meteen te kijken naar wat beter kan, groter kan, slimmer kan of sneller kan. Het enige dat ik vaak voel, is dat ik moet doorgaan, plannen, verbeteren, bewijzen. Alsof stilstaan automatisch betekent dat ik faal, alsof elk moment dat ik niet benut , een gemiste kans is. Je zal mij overdag nooit op de bank zien zitten met een boek. Als ik al lees, zit ik in een actieve houding aan de eettafel, alsof ik altijd snel kan opspringen als dat nodig blijkt te zijn. Als ik een koffie buiten de deur haal tijdens werktijd, ben ik constant bezig met snel weer achter de computer te gaan, in plaats van gewoon even een slok te nemen en vijf minuten voor me uit te staren. Ik heb zelfs haast als ik mijn kind naar bed breng. Het getreuzel maakt me bloednerveus, terwijl hij alleen maar zijn verhaal kwijt wil. Na een voetbaltraining sta ik gelijk klaar om hem mee te nemen naar de auto, terwijl hij misschien nog even twee minuten een balletje wil trappen.
En ja, ik schaam me er gewoon voor. Voor die haast. Dat ik nooit echt relaxt kan zijn. Alsof er altijd iets dringt, iets moet, iets groter, beter, sneller, meer kan. Anders kan dan ik heb gedaan. Alsof stilzitten een falen is. En ergens weet ik dat dat niet waar is, dat het oké zou moeten zijn om gewoon te zijn, om te zitten en niets te moeten, om te voelen dat het genoeg is. Dat het verleden het verleden is. De toekomst de toekomst. Maar het is moeilijk. Mijn hoofd blijft hangen in het verleden of rent vooruit, mijn lichaam voelt constant bezig. En toch, ergens diep van binnen, hoop ik dat ik ooit kan ontspannen, dat ik het moment kan voelen zoals het is, zonder schaamte, zonder druk, zonder haast. Dat ik gewoon kan zijn. Dat nu echt best wel oké en goed genoeg is. Dat ik misschien een versnelling lager door de dag kan bewegen, dat ik niet overal tegelijk hoef te zijn, niet alles tegelijk hoef te doen, dat het oké is om gewoon te zijn en te voelen dat het genoeg is. Dat ik niet ergens naartoe hoef, dat dit moment precies goed is.
Over drie weken word ik 39. En ergens voelt dat als een mooi streven, een doel om richting mijn veertigste naartoe te leven. Niet met haast, niet met druk, niet met het idee dat ik mezelf steeds moet bewijzen of verbeteren, maar met aandacht voor dit moment, dit leven, dit nu. Niet vooruit. Niet terug. Niet ergens naartoe. Gewoon hier.
Iemand daar een handleiding voor?
En tegelijkertijd is dit ook weer een doel voor in de toekomst. Genoeg werk aan de winkel.