Sporten is nooit mijn hobby geweest, maar het is de afgelopen jaren altijd een terugkerend thema in mijn leven gebleven. Vooral sinds onze verhuizing naar Aalsmeer 10 jaar geleden en de fijne sportschool die ik toen ontdekte, waar ik nu nog steeds sport. Er zijn periodes geweest dat ik er maandenlang niet kwam en vooral sponsor was, maar er waren ook periodes dat ik elke dag in de sportschool stond. Het ritme wisselde, maar het bleef altijd terugkomen. Voor mij is de sportschool de afgelopen maanden een plek geworden waar ik even geen moeder ben, even niet aan werk hoef te denken en even niet vastloop in mijn hoofd. Mijn lijf gaat aan het werk, mijn hoofd komt een beetje tot rust. Alles buiten mijn controle laten en mezelf alleen focussen op beweging is bevrijdend en noodzakelijk tegelijk.
Doelen
Tot ongeveer twee jaar geleden had ik altijd concrete doelen. Records verbreken, afvallen, sterker worden, steeds dat stapje verder. En ja, dat werkte. Totdat het obsessief werd. Mijn hoofd steeds drukker, mijn sportsessies steeds meer. Maar uiteindelijk kon mijn lijf niet meer wat mijn hoofd wilde en dat frustreerde enorm. Want ik hou van doelen, van vooruitgang, van het gevoel dat ik iets bereik. En nu? Nu moet ik leren dat vooruitgang niet altijd meetbaar hoeft te zijn. Dat het oké is om mijn hoofd leeg te maken zonder dat er een record op het spel staat. Mijn hoofd wil harder, vaker, intensiever; mijn lijf zegt: ‘niet nu.’ Dat is een vreemde paradox en een constante oefening in luisteren.
Meer dan trainen
De afgelopen twee jaar is sporten voor mij meer geweest dan trainen. Het was een manier om uit mijn hoofd te komen, om even niet aan werk, ziekenhuis of andere zorgen te denken. Ja, het werd te obsessief, maar op dat moment kon het niet anders en was er geen andere houvast dan de sportschool. Het hielp me overeind te blijven in lastige periodes, om niet vast te lopen in mijn eigen gedachten. Nu ben ik zoekende naar balans. Mijn hoofd wil vier, vijf keer per week sporten, soms zelfs zes, maar mijn lijf laat dat niet toe. Dat ik afgeremd moet worden, als iemand die nooit echt sportief was, klinkt bijna als een slechte grap. En toch is het precies wat ik nodig heb.
Geen moetje
Sporten is voor mij geen moetje meer. Ik hoef mezelf niet van de bank te slepen, ik kijk uit naar mijn vaste momenten. Het gaat nu om aftellen, verlangen, maar tegelijk om mezelf niet voorbij te rennen. Om de druk los te laten, de doelen te laten vallen en gewoon weer plezier te vinden in de beweging zelf. Gewichten optillen zonder prestatiedruk, cardio doen omdat het goed voelt, deadliften zonder dat er een record gesneuveld moet worden. Muziek keihard aan, kop uit, geen toeschouwers behalve ikzelf en soms de eigenaar van de sportschool die een schuin oog werpt en een gebaar maakt van ‘I’m watching you.’ Zweten = vergeten. Zweten = even bij mezelf komen. Zweten = die constante interne checklist even parkeren. Zweten = even rust. En ja, ik voer intern die strijd dat ik zwaarder moet, meer moet en langer moet. Maar door die strijd is er geen ruimte voor andere struggles.
Oefening
Het is een oefening in geduld en bewustzijn. Niet elke week lukt perfect. Soms heb ik meerdere goede sessies, om vervolgens gefrustreerd te zijn dat het gewicht of de herhalingen niet lukken zoals ik wil. Soms voelt een rustige sessie niet als voldoende. Soms wil ik gedachteloos een uur lang trappen, voor me uitstarend en in de zone komen waarin niks of niemand me meer iets kan maken. Toch weet ik dat het juist de rustige sportsessies zijn, waarin ik 70 procent geef in plaats van 120 procent, die me het meest brengen: hoofd leeg, lijf bezig, energie terug.
Die laatste zin vat het eigenlijk samen. Die rustige, doelvrije sessies voelen beter dan elk record dat ik ooit heb gehaald. Die momenten zijn precies wat ik nodig heb. Diep van binnen weet ik dat het beter is om maximaal drie keer per week te sporten, dat een uur op de fiets mezelf leegtrappen niet nodig is en dat een 50 kilo squat helemaal prima is. Maar soms is er een groot conflict tussen weten en doen. Mijn hoofd wil harder, vaker, intensiever; mijn lijf zegt: ‘dit is genoeg.’ Ik zit nog midden in dat acceptatie- en zoekproces, probeer te leren dat vooruitgang niet altijd meetbaar hoeft te zijn. Het is oké om gewoon te zijn, te zweten, te vergeten en te genieten. Maar met leren, komt ook ‘keihard op je bek gaan’ kijken. Maar gelukkig word ik van alle kanten in de gaten gehouden en als ik zelf niet kan stoppen, dan stopt iemand anders het wel voor me. Dan ben ik even boos, maar als mijn relaxte versie weer boven komt drijven, voel ik alleen maar dankbaarheid.
Therapie
De sportschool is voor mij therapie. Alleen ik, de gewichten, de muziek en een klein gevoel van controle in een verder interne, chaotische wereld. Het is nog lastig te geloven, dat het niet meer hoeft om beter te zijn, dat het oké is om grenzen te respecteren en gewoon te bewegen voor mezelf. Dat het niet meer nodig is om af te vallen, om een ritme te vinden of om records te verbreken. Maar dat sporten, net als de rest van mijn leven op dit moment, niet om doelen vraagt maar om gewoon ‘zijn’. Ik werk eraan, elke sessie een stapje dichter bij die balans.