(~215 B)

Waarom moet alles tegenwoordig zinvol zijn?

Waarom moet alles tegenwoordig zinvol zijn?

Ik hoorde afgelopen week iets in de Podcast Psycholoog dat me aan het denken zette. Namelijk dat zingeving eigenlijk helemaal niet zo’n positieve smaak heeft als we vaak denken. Niet omdat het iets negatiefs is op zichzelf, maar omdat er meteen een soort druk op komt te liggen, alsof het een opdracht is die je goed moet uitvoeren. Alsof je leven pas klopt als je er betekenis aan kunt geven, een levensmissie nastreeft en alsof je anders faalt in iets wat je niet eens precies kunt afvinken. En eerlijk gezegd merk ik dat dat idee me de laatste tijd steeds vaker kan verlammen, omdat het nooit voelt alsof je ‘klaar’ bent of ‘goed genoeg’ bezig bent. Helemaal omdat ik me op dit moment niet bezighoud met zingeving, maar vooral met de dag doorkomen en overleven. Ademhalen. Ik heb geen levensmissie en als ik daar te lang over nadenk, word ik daar ontiegelijk onrustig van.

Vroeger was alles beter

Vroeger was alles beter, zeggen we dan snel. Dat zegt de psycholoog in de podcast ook en zien we bij onze ouders, onze opa’s en oma’s. Niet omdat dat per se waar is, maar omdat er iets in zat wat eenvoudiger voelde. Je leefde gewoon, je werkte, je zorgde, je ging door je dagen heen en ergens zat daar een vanzelfsprekendheid in die niet steeds ter discussie stond. Er werd niet bij alles stilgestaan of het wel genoeg zin had of of het wel de juiste richting was. Je had een leven en dat was het eigenlijk. En ergens wringt dat met hoe we nu leven. Niet alleen moet alles betekenis hebben, ook identiteit is iets geworden waar je over na moet denken. Iets wat je moet begrijpen, vormgeven en uitleggen. Alsof je niet alleen een leven moet leiden, maar ook moet uitzoeken wie je daarin precies bent en of dat wel klopt. Zoals in de podcast ook werd gezegd: vroeger spraken we niet over identiteit. Niet omdat mensen die toen niet hadden, maar omdat die vanzelfsprekend was. Wij praten erover omdat het een vraagstuk is geworden.

Betekenis

Misschien is dat ook wel waarom het nu zo zwaar voelt. Omdat we in een tijd leven waarin alles betekenis moet hebben. Je werk, je relaties, je keuzes, je rust, zelfs je stiltes. Er hangt altijd ergens het gevoel dat je het goed moet doen. Dat je niet mag achterlopen. Dat je je pad moet vinden. Dat je ergens moet aankomen, terwijl je eigenlijk gewoon aan het bewegen bent. En ondertussen zie je vooral de uitkomst van anderen op sociale media. De leuke levens, waarin alles voorspoedig lijkt te gaan. De versie van het leven die al ergens lijkt te staan. Afgerond. Helder. Kloppend. En je vergeet bijna dat je zelf vooral in dat andere stuk zit. Het zoeken. Het twijfelen. Het opnieuw beginnen. Het denken dat je het snapt en het de dag erna weer helemaal niet meer weten. Precies daar ontstaat die spanning. Omdat je onbewust jouw tussenstuk vergelijkt met iemands eindbeeld, terwijl dat eindbeeld alleen maar het deel is dat je ziet en niet het deel dat eraan voorafging. Kijk maar naar mij. Ik ontvang nog dagelijks vragen over het afvallen, over het sporten, hoe ik deze versie geworden ben. Alsof dit de eindversie is van mezelf waar iedereen jaloersmakend naar kan kijken. Terwijl ik alleen maar denk: ze moesten eens weten waarom ik nu deze versie ben. Het heeft me veel meer gekost dan dat ik ooit heb laten zien.

De weg

We zien elkaars resultaat, maar nooit de weg ernaartoe. En misschien zit daar wel de grootste vertekening in hoe we naar onszelf en elkaar kijken. Omdat je dat eindplaatje van een ander zo makkelijk invult met een verhaal van vanzelfsprekendheid. Alsof het allemaal logisch is dat het zo is gegaan. Terwijl je eigen dagen juist voelen als losse stukken die nog niet precies weten waar ze heen gaan. En toch leef je vanuit dat beeld en toch meet je jezelf eraan. En toch voelt het soms alsof jij degene bent die nog aan het uitvinden is hoe het moet, terwijl de rest het blijkbaar al heeft. Dat maakt moe en onzeker. Dat maakt stil van binnen op een manier die je niet altijd goed kunt uitleggen. Of in ieder geval, als ik voor mezelf moet spreken.

Generatie

Misschien is dat ook wel iets van mijn generatie, de millennial. Zonder iedereen over één kam te scheren, maar het valt me op als ik naar andere leeftijdsgenoten kijk, met anderen spreek. We zijn opgegroeid met het idee dat alles mogelijk is. Dat je alles kunt kiezen, alles kunt worden en alles kunt vormgeven. Dat er geen vast pad meer is, maar eindeloos veel open deuren. Dat klinkt vrij, maar voelt vaak ook zwaar. Want keuzevrijheid betekent ook dat je steeds opnieuw moet voelen of je nog wel goed zit. In diezelfde wereld zie je via sociale media continu de uitkomsten van anderen. Het leven dat al lijkt te kloppen. De keuzes die al gemaakt zijn. De identiteit die al lijkt te staan. En ergens weet je dat het maar fragmenten zijn, maar toch doen ze iets met je beeld van wat normaal is. Het maakt het lastiger om koers te houden in een wereld vol open deuren, omdat je niet altijd meer voelt welke richting eigenlijk van jou is. En ik doe daar net zo hard aan mee. Millennials worden vaak omschreven als idealistisch, zoekend en gevoelig voor burn-outs. Misschien is dat niet zomaar een karaktereigenschap, maar ook een logisch gevolg van precies die combinatie: alles kunnen kiezen, alles willen begrijpen en ondertussen het gevoel hebben dat je het ook nog goed moet doen.

Eenvoudiger

En dan komt dat woord zingeving weer terug. Alsof het iets is wat je moet vinden, bereiken of begrijpen. Terwijl ik steeds meer begin te voelen dat het misschien helemaal niet in dat grote zoeken zit, maar juist in iets veel kleiners en directers. In het opstaan terwijl je hoofd nog vol is. In toch iets doen wat je dag een beetje draagt. In een berichtje dat verbinding maakt. In een wandeling zonder bedoeling. In een gesprek dat iets in je losmaakt. In een moment waarop je even niet bezig bent met wat het zou moeten zijn, maar alleen met wat het is. Misschien is dat al veel meer dan waar we steeds naar op zoek zijn. Alleen blijft dat andere stuk ook bestaan. Dat stemmetje dat zegt dat het niet genoeg is. Dat je iets moet opbouwen. Dat je ergens naartoe moet werken. Dat je pas rust mag voelen als het klopt. Misschien is dat wel precies de spanning waarin we leven. Tussen het beeld van een leven dat af lijkt te zijn en het feit dat je eigen leven zich alleen maar laat zien in tussenstukken. In beweging, in dingen die nog niet klaar zijn en misschien ook nooit helemaal klaar worden op de manier die we in ons hoofd hebben. En misschien is je levensmissie dan wel gewoon om dat te accepteren en je leven zo aangenaam mogelijk te leven. Wat dat ook mag zijn voor je.

En dan die ene vraag

Ergens komt het dan neer op iets wat bijna pijnlijk simpel is en tegelijk ongemakkelijk eerlijk. Niet of je vandaag iets groots hebt gedaan. Niet of het betekenisvol genoeg was. Niet of het ergens op lijkt in vergelijking met anderen. Maar of je vandaag de dingen hebt gedaan waardoor je straks, als je in bed ligt en de dag achter je laat, niet alleen terugkijkt op wat je hebt gedaan, maar ook op hoe het voelde om het te doen. Of er ergens in die dag iets zat dat van jou was. Iets kleins. Iets onbenoembaars misschien. Maar wel iets waardoor je niet het gevoel hebt dat je jezelf onderweg kwijt bent geraakt in alles wat moest. Misschien is dat uiteindelijk de enige echte vraag die er is. Niet of het groot genoeg was, niet of het af was en niet of het ergens naartoe leidt. Maar of je vandaag, in al dat ‘tussenin’, nog een beetje dicht bij jezelf bent gebleven en met een glimlach kunt gaan slapen vanavond.

Delen:
Secured By miniOrange